Artikel – Wumkes, Huizenga-Onnekes en Heuvel

Geart Aeilco Wumkes
Eilina Johanna Huizenga – Onnekes
Hendrik Willem Heuvel

Hunreligieuze volkskunde en haar ‘mystieke’ component.

door Derk Jansen
december 2018

Geen willekeurige namen natuurlijk, dit drietal. Het zijn toppers op het vlak van dehistorische volkskunde, maar ook op andere gebieden. Wumkes, schrijver, theoloog en historicus. Strijder voor een Groot-Friesland. Huizenga – Onnekes, schrijver, voordrachtskunstenaar, historicus, strijder voor de Groningse taal en zijn sprekers. Heuvel, filosoof, historicus en volkskundige; inspirator en schrijver, maar ook literator en poëet, strijder voor de Achterhoek en zijn bewoners.

Geart Aeilco Wumkes (1869-1954)

Als erenaam kreeg deze theoloog de naam ‘polyhistor’, een multi-talent opwetenschappelijk gebied. Gerben Abma, zijn biograaf, noemt hem de grondlegger van de beoefening van de Friese cultuurgeschiedenis; gedreven door een Fries nationaal pathos ontwikkelde hij een mystieke band met de provincie.[i] Zijn streven naar een Groot-Friesland had politiek gezien geen enkel succes,maar leidde indirect  wel tot de vestiging van de leerstoel ‘Geschiedenis van de Friese landen in de middeleeuwen’ in Leiden.[ii] In Wumkes’ optiek behelsde de opdracht daarvan de bestudering van de kustgebieden van Brugge tot Denemarken. De missie van de Leidse leerstoel beperkt zich in werkelijkheid tot bestudering van de middeleeuwse geschiedenisvan het gebied tussen Vlaardingen en Bremen. We zullen nog zien, dat de mystiek– zeker in de vorm van het spirit(ua)isme – een belangrijk element is in devolkskunde van onze hoofdpersonen. Huizenga-Onnekes had een mystiek spiritueleband met Groningen en zijn bevolking, datzelfde geldt voor Heuvel en de (bewoners van) de Achterhoek. [iii]

Eilina Huizenga-Onnekes in Groninger klederdracht, 1925. Fotograaf onbekend, Groninger Archieven (sannemeijeronderweg.nl)

Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (1883-1956)

Zij had geen gemakkelijk karakter wordt er wel eens gezegd. Wat wil je, op het terrein van de wetenschap, in dit geval de Volkskunde moest zij voornamelijk opboksen tegen mannen, mannen die anders dan zij wetenschappelijk waren geschoold, mannen die dachten het alleenrecht te hebben op dit nieuwe gebied van sociale wetenschappen. Zij waren het die de redactie vormden van de wetenschappelijke bladen en toen ds. Jan Waterink in 1929zijn Bij ons in het land der Saksers uitgaf was er van de twaalf medewerkers één vrouw die een tekst mocht leveren. Dat was Lite Engelbrechts die we, heel opvallend, niet in het Handboek Nedersaksische Taal- en letterkunde tegenkomen.[iv] Lite Engelberts was ook een favoriet van Hendrik Willem Heuvel, zoals blijkt uit zijn Dagboek want via haar kwam hij op het spoor van de befaamde Annette von Droste -Hülshoff, een van Duitsland grootste dichteressen, inwoner van het aan de Achterhoek verwante Münsterland. Dat bleek ook uit haar werk, ‘En het was voor Heuvel natuurlijk ook niet zonder betekenis dat een vooraanstaand Duits auteur zich verdiepte in de regionale- en volkscultuur en daarbij het met de Achterhoek zo overeenkomstige Westfalen centraal stelde.’[v]

Eilina Johanna Huizenga-Onnekes op zeventigjarige leeftijd (foto uit familiebezit)

Wijdwalen af en moeten terug naar Eilina Johanna die uit domineeshout gesnedenwas. Haar vader was Nederlands hervormd predikant o.a. in het Noord-GroningseVierhuizen, daar bracht Eilina Johanna haar jeugd door, daar werd zij Domineeslientje genoemd. Daar ookgroeide haar liefde voor de Groningse mens en zijn geschiedenis. Zij zou beidelater beschrijven met een godsdienstig pathos, waarin haar aanleg voor lekenprekervorm en inhoud kreeg.

Hendrik Willem Heuvel

Hendrik Willem Heuvel (1864-1926)

Ook hij wilde predikant worden. Slechts een paar dagen, van 7 tot 9 september 1880 was hij leerling van het opleidingsinstituut Ruimzicht in Doetinchem. Donderdag de negende september haalde zijn vader hem daar weer vandaan. De zestienjarige werd verteerd door heimwee, een existentieel heimwee moet dat geweest zijn; het spreekt bijna voor zich dat hij nu onderwijzer werd in de Achterhoek in het nabij Laren gelegen Gelselaar. Het jarenlange verblijf onder het ouderlijke dak moet zijn verdere leven een rol gespeeld hebben, evenals de mislukking van Ruimzicht. Hij werd hoofdonderwijzer, academicus zonder universitaire opleiding; in de omgang met predikanten en andere intellectuelen werd dat bevestigd. Dat hij sommigen naar de kroon stak moet genoegdoening hebben gegeven. Met name zijn schrijverschap bevestigde dat en hierin vond hij compensatie voor zijn min of meer geknakte opleiding. Heuvel was een religieus mens. Mijns inziens vrijzinnig, maar dan op geheel eigen wijze. Als je op het einde van je leven terecht komt bij de filosofische inzichten van Maurice Maeterlinck heb je een eigen weg gekozen, je vrijzinnigheid heeft dan een eigen signatuur.[vi]

Religieuze volkskunde.

Het begrip is niet eens zo eenvoudig te definiëren. In 1933 deed H.Th. Fischer een poging daartoe in het tijdschrift Mensch en Maatschappij[vii]; hij komt tot de volgende slotsom:

‘Ik wil dan eindigen met een korte samenvatting. Men kan drie soorten religieuze volkskunde onderscheiden en wel:

  1. Een religieuze volkskunde welke is een onderdeel der volkskunde, voor zover wij daaronder verstaan de beschrijving en de bestudering van de verschijnselen der onderkultuur.
  2. Een religieuze volkskunde, welke beter religiografie ware te noemen en die als een onderdeel der sociografie moet worden gezien.
  3. Een religieuze volkskunde, die tot doel heeft de beschrijving der verschillende vormen, waarin het Christelijk geloofsleven zich bij de verschillende volken en volksgroepen uit. Een Christelijke religiografie dus.’ (descriptief)

Soort 1 verbeeldt de universele opvatting waarbij ‘onderkultuur’ opgevat kan worden als respectievelijk folklore, gezamenlijke volksgebruiken, oude zeden en gewoonten, oude volkstradities, oude volksgebruiken, een containerbegrip dus en als zodanig bruikbaar in de etnologie.

Soort 2 omvat de beschrijving van godsdienstige verschijningsvormen, in het bijzonder van bepaalde volksgroepen.

Soort 3 betekent hetzelfde, maar richt zich uitsluitend op christelijke volksgroepen. Misschien zit er een missionair aspect aan.

In deze opzet gaat het van het algemene naar het bijzondere, dat past perfect bij onze drie hoofdpersonen die, voor zo ver valt te zien,  het christendom hebben willen gebruiken als drager en beweger van hun ideeën.

Voor Wumkes is dat het streven naar een Groot-Friesland op basis van een bekeringsoffensief. Dit bekeringsoffensief kent als noemer – het werd reeds gememoreerd – de religieuze Volkskunde. West Friesland, Friesland, Groningen en Oost Friesland moeten op dit vlak een ‘bekering’ ondergaan, waarbij de Friese taal een perfecte drager is van het christelijke gedachtegoed. Als alleen maar het besef doordringt van de Friese oorsprong van de regionale eigenheid dan is er veel gewonnen. Als het besef doordringt dat de taal je identiteit bepaalt dan is het christendom nabij; het doorgloeit de mens als het vuur het ijzer bij de smid.

Wumkes neigt naar het spiritisme

In de religieuze volkskunde spelen geesten een niet te onderschatten rol: ‘wedergangers’, veurkiekers en achterkiekers,  komen we in deze ‘onderkultuur’ overal tegen, evenals de geesten die in de ‘normale’ cultuur gevangen worden in het spirit(ual)isme. Wumkes, Huizenga-Onnekes en Heuvel kenden alle drie de verschijnselen van wedergangers e.d. en geesten, hun betekenis en leer, de literatuur over hen, de beoefenaars en aanhangers. Wumkes beschrijft in zijn  Paden fen Fryslân deel IV met name evangelische predikanten – staande in de lijn van de Groninger richting – die min of meer spiritist waren geworden: J.J. van Broekhoven, evangelist te Wijchen, ds. H.A. Nieuwold te Jelsum, dr. S.K. Thoden van Velzen te Leeuwarden en zijn zoon dr. H. Thoden van Velzen, op dat moment te Gorredijk. Ds. Beversluis van het Groningse Zuidwolde zou zich ontwikkelen tot de leerling van de belangrijkste spiritist van Nederland: Elise van Calcar.

Van Wumkes is gezegd, dat hij het spiritisme – als onderdeel van de religieuze volkskunde – beschouwde als een stimulans voor het geloof in het leven na de dood. Ook de bovengenoemde evangelische theologen waren die overtuiging toegedaan, evenals Huizenga-Onnekes en Heuvel. Huizenga-Onnekes ging op dat moment verder dan Wumkes en Heuvel. Bij haar was de religieuze volkskunde de opmaat voor haar geloof in het spiritisme, die geloofsverdieping als gevolg had. Wumkes had voor zijn toch wel confessioneel belijnd geloof het spiritisme niet nodig en Heuvel ging uit van een geestelijk voortbestaan van de mens. De geest – en de haar omringende ziel- konden als vormen van energie nooit verloren gaan.

In Wumkes’ autobiografie Nei sawntich jier (-Na zeventig jaar-) komen we nog meer gelijkgezinde dominees tegen. In Albertinus van der Heide, predikant o.a. in de Friese dorpjes Britsum, Wieuwerd en Engelum, maar ook kamerlid voor de SDAP van 1925 – 1937, maken we kennis met een rode dominee die bijzonder in het spiritisme en de parapsychologie was geïnteresseerd: hij zou zich in zijn gedenkschrift als aanhanger van deze verschijnselen doen kennen.[viii]

Dammas Pierre Marie Huet, pastor loci  van Goes, omarmde het spiritisme vijf jaren, heftige jaren waren het, die een roman verdienen. Huet geloofde, anders dan de andere door Wumkes genoemde spiritistische dominees, in de reïncarnatie van de ziel, een bijzondere variant van de door de evangelische richting geïnspireerde spiritistische predikanten. Wumkes noemt ook nog Frederik van Eeden als spiritist, terecht en dat hij bij de predikanten wordt genoemd is dat eveneens. Van Eeden zou zijn gehele leven de blijde boodschappen van de geesten blijven verspreiden. Ook Heuvel was zeer geïnteresseerd in het spiritisme, zoals de literatuurlijst uit Volksgeloof en Volksleven laat zien; alleen al het feit dat Heuvel spiritistische en parapsychologische items opnam is veelzeggend voor zijn betrokkenheid op het onderwerp.

Ook Huizenga – Onnekes komt in de bundel Nei sawntich jier voor, meester Heuvel overigens niet. Over Huizenga’s groei naar het spiritisme wordt slechts vaag gesproken met termen als geakundich evangelisaesjewurk (regio gebonden evangelisatiewerk) en haar bestrijding van het materialisme met geastlike wapens. Uit dit alles kunnen we wat Wumkes betreft besluiten tot een meer dan gemiddelde aandacht voor het spiritisme. Bij Huizenga – Onnekes is dat ook het geval, bij meester H.W. Heuvel eveneens. We kijken nu eerst naar een preek van Wumkes die een spiritistisch patina heeft.

Een spiritistische preek van Wumkes?

Al in het jaar 1919 had hij in een preek laten zien niet afkerig te zijn van de behandeling van bijbelgedeelten die de rationele orthodoxie nogal eens liet liggen. Het thema van de meditatie was ‘Hemel en Hel in Paulus’ (2 Cor. XII: 1 – 10), waar het over een openbaring gaat. Paulus wist zich in dit bijbelgedeelte opgevoerd naar de verheerlijkte Christus: het was voor hem echt de staat van volmaaktheid, alsof lichaam en ziel gelijk werden aan zijn Heer en Koning. In die notie, volledig passend in de opvattingen van de Groningers c.q. evangelische richting, proeven we dus een paradijservaring. Die horen bij het apostolische christendom schrijft Wumkes, zoiets is bovendien van alle tijden en hij voert daartoe een wolk van getuigen op: Bernard van Clairvaux, Franciscus van Assisi, Catharina van Siena, Blaise Pascal, Herman Kohlbrugge, maar ook esoterici als Johann Christoph Blumhardt, diens zoon Christoph èn Emanuel Swedenborg, die soms als Founding Father van het spiritisme wordt beschouwd.

In de loop der jaren heeft Wumkes allerlei uitspraken gedaan die in verband gebracht kunnen worden met het spiritisme en de parapsychologie. Preken over Pasen en Pinksteren handelen ook over dromen en visioenen, een  spiritistische notie van muziek als verheven verbinding tussen het immanente en transcendente[ix] komen we ook tegen; bij voorbeeld Davids harpspel aan Sauls hof om de koning tot rust  te brengen en hem vatbaar te maken voor het hogere. Het meest expliciet heeft Wumkes zich uitgelaten in zijn meditie ‘Nei de hekse fen Endor’ (Naar de heks van Endor), die hij in mei 1938 publiceerde in vier achtereenvolgende nummers van De Stim fen Fryslân. Hij beschrijft daarin de pogingen van koning Saul om – het zijn de woorden van Wumkes – ‘het boek van God te openen’, zijn eigen toekomst te ontsluieren door raadpleging van profeet, priester en orakel; door opwekking van visioen en droom, door het laten oproepen van de geest van Samuel door een heks. Samuel, die in navolging van een goddelijk gebod had opgeroepen tot het vervolgen van de beoefenaars van tovenarij en hekserij en daarvoor in Saul een gewillig instrument had gevonden. Deze Saul is aan het eind van zijn Latijn, als een patiënt die na het falen van alle reguliere geneeskunde zijn toevlucht zoekt in het alternatieve circuit, ‘omdat niets meer helpt …’

Wumkes schildert Sauls positie: staat het water je aan de lippen, ‘dan breekt de nood wel vaker Gods wet, en de wet wordt vertrapt. En dan blijkt, dat ook christenen vallen in de armen van het bijgeloof, van spiritisme en hypnotisme, dat het heil zoekt bij de duistere machten van de afgrond.’ Wumkes bedoelde hier zeker niet het spiritisme zoals dat door predikanten als dr. S.K. Thoden van Velzen (Leeuwarden, Warnsveld), dr. A. Rutgers van der Loeff (Zutphen, Leiden) en M. Beversluis (Barendrecht, Zuidwolde-Gron.) werd bedoeld. Zij waren ‘Groningers’ of ‘Evangelischen’ die naar wetenschappelijkheid streefden, hun spiritistische zienswijzen schuurden langs de parapsychologie. Wumkes zocht hierin ook de verklaring voor de manifestatie van Samuel in de grot van de heks. De verschijning die zij zag was niet Samuel zelf, maar een uitstraling van haar eigen wezen en Wumkes geeft daarvoor de volgende verklaring: ‘De diepere zielkunde heeft waargenomen, dat bij sommige mensen innerlijke krachten in stoffelijke vorm kunnen overgaan; dat er uit het verholen zienersoog iets ontstaat, dat product is van zelfsuggestie. Wumkes toont zich hier enigszins een aanhanger van het zogenoemde psychisch monisme, de theorie van Gustav Theodor Fechner die bij ons bekendheid kreeg door de activiteiten van de Groningse filosoof Gerard Heymans. Het belangrijkste kenmerk van het psychisch monisme, naast het begrip van de Alziel of de Wereldziel, is immers dat in het menselijke leven het primaat wordt toegekend aan de psyche of de geest, omdat de werkelijkheid ons steeds via de psyche gegeven is. Bij de heks van Endor zien we hoe uit de psyche (geest) het beeld van een lichaam ontstaat; een dergelijke opvatting zien we ook bij iemand als Willem Bilderdijk, één van zijn uitgangspunten was: ‘de geest vormt het lichaam.’

Het is zeer aannemelijk, dat Wumkes in deze preek elementen uit het psychisch monisme verwerkte. Hierin stond Huizenga-Onnekes aan zijn zijde, die daarenboven Fechners Alziel met de Volksziel leek te identificeren.

Huizenga-Onnekes: een spiritistisch beschavingsoffensief?

Fechneris degene geweest die de gedachte van de zogenoemde Albezieling in depsychologie heeft gevestigd en zo door spiritisten en parapsychologen als Gründer kon worden begroet: deverworteling van de individuele ziel in de Alziel of Wereldziel gaf hetperspectief van een eeuwig voortbestaan en maakte de geestenhypothese salonfähig. Het zijn niet alleen mens endier die een zieleleven hebben. Er is geen scherpe scheiding tussen planten- endierenrijk: dat geeft ons het recht aan te nemen dat ook de plant een zielelevenheeft (…) Maar niet alleen het zogenaamde levende is bezield. Het gehele heelalis het, ook atomen en gesteenten. Zo is ook de aarde een bezield wezen.

Ex-Libris van E.J. Huizenga-Onnekes ( (foto uit familiebezit)

In ons land is het dus vooral de Groningse hoogleraar psychologie Gerard Heymans geweest die het psychisch monisme heeft verdiept en gepopulariseerd. Op grond hiervan besloot hij ook  tot het uitvoeren van experimenten op telepathisch gebied met de mediamieke student Sally van Dam. De resultaten daarvan hebben Heymans de naam van ‘vader van de Nederlandse parapsychologie’ bezorgd.[x]

Op een ander niveau, maar met dezelfde intenties, komen we Huizenga-Onnekes tegen. Zoals uit notities in haar archief blijkt, ging zij ook uit van het begrip Albezieling, wat zij ‘Collectief ‘Hoger bewustzijn’ noemde. Daaraan paarde zij heel nadrukkelijk het geestengeloof, dus het geloof in de onsterfelijkheid: de dood is niet anders dan de overgang naar een ander bestaan. Bij haar is er ook sprake van een psychisch monisme, dat bijbels wordt gemotiveerde met de woorden van de Apostel Paulus uit Handelingen 17:28 ‘want in Hem leven wij’ èn Romeinen 11:36: ‘uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen’. Samengevat: ‘in Hem zijn alle dingen.’ Hieruit vloeit voort, dat God zowel immanent als transcendent is, wat wordt versterkt door de stelling: er kan niets of niemand boven Hem dus buiten Hem gedacht worden. Zo kwam zij dus ook bij het panentheïsme van Gustav Theodor Fechner terecht, een filosofie die in de 19e en twintigste eeuw ook aanhangers onder wetenschappelijke spiritisten vond. Volgens Fechner zelf overigens veel te weinig.

Men kan – wat plechtstatig gezegd – stellen, dat het panentheïsme Huizenga-Onnekes  een kader verschafte, waarin haar spiritisme een wetenschappelijke basis vond. Van daar uit kon ze de volkskunde onderzoeken. Belangrijk is daarbij het concept voor haar boek Groninger Volksverhalen II waar ze schrijft: ‘Rotsvast evenwel leeft in het volk de overtuiging van mensen die buitennatuurlijk (curs. DJ) begaafd zijn.’ Deze beschikken over gaven als hypnose, telepathie, suggestie, toverkrachten, genezende krachten, het boze oog, helderziendheid en helderhorendheid, ook denkt het volk zich de geesten fijnstoffelijk.’ 

Heuvel, meer spiritualist dan spiritist

Hij was een mysticus.Iemand die een geestelijke weg aflegde. Afgezien van de huiselijke invloeden: gezin, familie, huis en omgeving is daar de catechisatie bij de Larense hervormde predikant Alberti. Voor de duidelijkheid, Alberti was een Groninger, dat betekent hier: een leerling van de hoogleraar Petrus Hofstede de Groot die in het Athene van het noorden zijn studenten theologie opleidde in vrijzinnige geest. We hebben hier meteen twee kernbegrippen te pakken: ten eerste: opleiden wil zeggen dat de mens een leven moest leiden dat hem steeds dichter bij God en Jezus bracht; dat de predikant hierin een leidende rol speelde spreekt voor zich. Ik kom hier nog op terug, maar wijs eerst naar het tweede kernbegrip: de vrijzinnigheid. Groningers waren niet modern, dat wil zeggen, ze legden de theologie niet langs de meetlat van de natuurwetenschappen; hun vrijzinnigheid beperkte zich hoofdzakelijk tot de ontkenning van de predestinatie, de ontkenning van de Drie-eenheid, de ontkenning van de Twee-naturen leer. Deze negatieve balans werd in evenwicht gebracht met name door de aanvaarding van het wonder en tot op zekere hoogte begrippen als genade en rechtvaardiging. Tussen modern en orthodox konden de Groningers op den duur hun middenpositie niet handhaven, met name omdat de populaire remonstrant ds. Petrus Augustus De Génestet hen afdeed als ‘middenmannen’ die het vertikten om partij te kiezen. Heuvel heeft jarenlang het gedachtegoed van de Groningers gerespecteerd, met die instelling kon hij ook met socialistische gerichte predikanten verkeren die, rechts-modern, ook bepaalde orthodoxe opvattingen als genade niet uitsloten. Ook moderne predikanten waren erfgenamen van de Groningers, zoals ik eerder aantoonde, waaruit blijkt dat de Groninger invloed belangrijker is geweest dan wordt gedacht.[xi]

Heuvel was bevriend met de socialistische predikant Frits Reitsma, hier is het moment om terug te grijpen op het eerste deel van de tweeslag die boven deze paragraaf staat,  Heuvels spiritualisme. Ook Reitsma was spiritualist en mysticus. Ik beperk me hier tot de constatering dat hij het leven van Jan Luyken beschreef, zoals ook Heuvel zou doen. Voor mij is dat een bewijs van hun congenialiteit, met name op het gebied van de mystiek. We weten dat het in de middeleeuwse mystiek voornamelijk gaat om de manieren van minne. Het doorleven van de stadia die leiden tot de eenwording met God. Dat was ook een karakteristiek van de Groninger richting. Ook voor Heuvel,  hij zocht de ‘manieren van Minne’ met name in het werk van theologen en filosofen: de Vermittlung van de Groningers, de rationele verbeelding van Carlysle, de eenheid van het bestaande bij Andersen en Fechner om tenslotte bij Maeterlinck terecht te komen.

Daarmee is Heuvel nog geen spiritist, want hij bezocht slechts één keer een seance en kwam daar onbevredigd bij vandaan. Met name de kans te lopen dat zijn ouders zich in de vorm van geesten zouden manifesteren stuitte hem tegen de borst, dat leek hem eigenlijk oneerbiedig. Maar hij was ook niet iemand die het spiritisme verwierp, persoonlijke overwegingen deden hem niet kiezen voor deze weg; hij geloofde in het bestaan van het paradijs, de berg van Sion, het nieuwe Jeruzalem, te samen de drie hoogste fasen uit het leven na de dood. Niet transcendent natuurlijk, maar als vormen van natuurlijke scheppingen, waarbij de belangrijkste het voor de mens bereikbare ‘gezuiverde collectieve bewuste’ was. Dat is het paradijs, ‘Demeure de ceux, qui sont Nets de Coeur, où, qui sont parvenus à la parfaite Mortification de leurs Convoitifes et Sensualités.’ Dat is het hoogst bereikbare, dat is het niveau van de heiligen, wier zonden zijn uitgedelgd. Dit hoogst bereikbare ideaal, het paradijs moest natuurlijk de uiterlijke vorm hebben van de Achterhoek. Daar wilde hij begraven worden, in Laren, bij Oolde, onder de dennen.

Religieuze volkskunde, daar heb je in Nederland in het betreffende tijdvak het christendom voor nodig. Dan kom je heel makkelijk uit bij een christelijke volkskunde, althans wat Wumkes en Huizenga-Onnekes betreft. De parapsychologische of spiritistische connotatie kan daarbij een rol spelen, dat werd in het bovenstaande verduidelijkt. Het lijkt er op, alsof Wumkes onder de invloed van Huizenga-Onnekes van het bestaan van deze boven- of buitennatuurlijke component bewust werd, voor Heuvel was aandacht voor het spiritisme een vanzelfsprekendheid. Van de paragraaf ‘Toovermiddelen en geheimzinnige invloeden’ op bladzijde 173 van zijn Volksgeloof en Volksleven gaat hij via paragrafen als ‘Gezichten en droomen’, ‘Telepathie en voorgevoel’ en ‘Suggestie en hypnose’ soepel naar het onderdeel ‘Spiritisme’ op bladzijde 223. Volks-spiritisme en burgerlijk spiritisme rustten bij Heuvel op dezelfde noemer.

Voor de drie genoemde auteurs was de kennis van het (voort)bestaan van eminent belang, ook al – ik wees daar reeds op – omdat zij het nodig hadden ten behoeve van hun idealen.[xii] Wumkes wilde de religieuze volkskunde gebruiken voor zijn strijd voor Groot-Friesland, Huizenga-Onnekes bedoelde hetzelfde als zij die discipline wilde inzetten voor de ontbolstering van de religieuze kern van de Groningers. En Heuvel? Hij lijkt hierin het bescheidenst. Zijn missie was de Achterhoekse mens zich bewust te doen worden van zijn geschiedenis, bewust te doen zijn van zijn van zijn plaats en positie, bewust te maken van zijn omgang met natuur en landschap, dus met de Achterhoek.  Heuvel verlangde naar het paradijs, daarin wilde hij -letterlijk – opgaan, onderdeel wordend van de Wereld- of Alziel, voor hem Maeterlinks collectieve Bewuste.[xiii]

Deze drie regionale volkskundigen waren kinderen van hun tijd. Belangstelling voor het leven na de dood was rondom 1900 en in de jaren na de Eerste Wereldoorlog evident. Om met de Fries kerkhistoricus dr. Jacob Jetzes Kalma (1907-1991) te spreken: ‘Het zat in hun geestelijke lucht.’


[i] Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme IV, Kampen 1998, 466-467.

[ii] De Fryske Akademy, waarvan Wumkes in 1937 een der oprichters was, heeft leerstoelen in Amsterdam, Groningen en Leiden.

[iii] Heuvel las voor zijn Volksgeloof en Volksleven, Deventer 1909, minstens 15 spiritistische werken. Daaruit blijkt, dat het onderwerp hem bijzonder interesseerde.

[iv] Henk Bloemhoff, Jurjen van der Kooi, Hermann Niebaum, Siemon Reker, Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde, Assen 2008.

[v] Jansen, Derk,  Heuvel hervonden. Over leven en werk van meester H.W. Heuvel (1864-1926), Doetinchem 2009,136-137

[vi] Idem, ‘Heuvel als mysticus’, in: Jaarboek Achterhoek & Liemers, deel 38 november 2014, 7 – 15.

[vii] H.TH. Fischer, in 1930 Bijzonder Lector Letteren en Wijsbegeerte te Utrecht. In 1936 Bijzonder Hoogleraar Volkenkunde aldaar, in 1946 Ordinarius. Mens en maatschappij, 1933, IX no.4, 429-436.

[viii] De Harder, Marie-Anne Albertinus van der Heide (1872-1953). Rode dominee tussen pastoraat en parlement, Kampen 2011.Jansen, Derk, ‘Een persoonlijk voortbestaan… Ds. Albertinus van der Heide en de parapsychologie, in: De Vrije Fries 83, Leeuwarden 2003, 179-201.

[ix] Het Gouden Koord

[x] Van Berkel, Klaas, Universiteit van het noorden, deel 2, de klassieke universiteit 1876-1945, Hilversum 2017, 95 e.v.

[xi] Jansen, Derk, ‘Kan er uit Nazareth iets goeds komen? ‘’Onze Krans’’ te Dokkum: een opmaat van de Nederlandse Protestantenbond’, in: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800, 44 (1996) 1-18.

[xii] Dit criterium wordt door Fischer -uiteraard-  niet genoemd.

[xiii] Het zou mij niet verbazen als deze connotaties Heuvel werden verduidelijkt door/in zijn gesprekken met de evangelist van Ruurlo Hilbrandt Boschma. Zij waren sedert 1913 zeer bevriend. Wellicht geeft de komende dissertatie van Aad Schravesande  (Amsterdam) hierover uitsluitsel. Zie ook: Derk Jansen, ‘Zowel pelgrim als harpenaar. Uit het leven van Hilbrandt Boschma: de evangelist van Ruurlo’, in: Bijdragen en mededelingen Gelre, XCV (2004) 227-253.